Uitbreiding Stadsschouwburg onder het Lucasbolwerk ???

Nagekomen bericht
Bij gelegenheid van de ingebruikname van de gerestaureerde Dudokbank op het Lucasbolwerk op 17 juni 2008 heeft cultuurwethouder Cees van Eijk ten overstaan van tientallen belangstellenden verklaard dat er geen uitbreiding van de schouwburg op het Lucasbolwerk komt. Hoewel de juridische status van deze mededeling onbetekenend is, gaan wij ervan uit dat deze de intenties correct weerspiegelt, We steken deze mededeling dan ook graag op zak.
 
Onderstaande beoordeling is kort voor de ingebruikname van de gerestaureerde Dudokbank aan de gemeenteraad gezonden.
 
Het Haalbaarheidsonderzoek ‘Een Nieuw Theater voor Utrecht’ gewogen
 
Gebrekkige onderbouwing en ernstig tekortschietende kostenraming botsen met gesuggereerde haalbaarheid
 
In april 2008 gaf B&W van Utrecht het haalbaarheidsonderzoek Een nieuw theater voor Utrecht vrij, een rapport dat met zijn bijlagen de dikte van een ouderwets telefoonboek benadert en met zijn vormgeving degelijkheid lijkt uit te stralen.
 
De aanleiding voor ons om het rapport te bekijken was de gebleken optie van B&W om de Raad voor te stellen te besluiten tot vergroting van de stadsschouwburg, eventueel onder het park Lucasbolwerk. Een tweede motief was dat vergroting van de Stadsschouwburg (bij het feitelijke beleid het autoverkeer niets in de weg te leggen) leidt tot vergroting van de verkeersdruk op het Lucasbolwerk, wat bedreigend is voor het park. Het feit dat de directeur van de Stadsschouwburg van het college o.m. de opdracht heeft gekregen uit te zoeken hoe deze verkeertoename gereguleerd en opgevangen moet worden, betekent dat het college de bedreiging onderkent, maar primair georiënteerd is op gereguleerde toelating van meer autoverkeer.
 

 
Onze bevinding
 
Het Haalbaarheidsonderzoek sluit in vele opzichten naadloos aan bij de niet-onderbouwde uitgangspunten in de beleidsnota “Cultuurvisie 2005-2008 / Cultuur is kapitaal” en in de cultuurnota “de ontdekking van Utrecht” (2007).
 
Eerlijk gezegd vinden we dat het funderend deel van het rapport geen enkel niveau heeft. Het Haalbaarheidsonderzoek concludeert in het geheel niet tot haalbaarheid of onhaalbaarheid, dat overigens terecht. Heel veel van wat relevant is, is niet bekeken en de vage, niet onderbouwde uitgangspunten die door B&W zijn aangereikt, zijn niet kritisch tegen het licht gehouden. Niet onderbouwde aannames horen tot de belangrijkste bouwstenen van de studie.
 
Doordat het funderend gedeelte van het onderzoek door zijn lichtheid in de lucht hangt, staan de uitwerkingen evenmin op de grond.
 
Het verontrust ons dat B&W een document van deze bedenkelijke kwaliteit aan de Raad heeft gezonden en dat de Raad het document vanwege gebrek aan kwaliteit niet heeft teruggezonden.
Er is geen bank in Nederland dat een bedrijf zal financieren dat dit op basis van dit soort stukken wil expanderen. Het ongeluk wil dat Utrecht haar begroting grotendeels met belastingopbrengsten en andere heffingen dekt.
De gemeente Utrecht zou haar eigen beleidsvormingsprocessen tot onderwerp van studie mogen maken.
 
Tenslotte. Indien de gemeente Utrecht zou besluiten tot opoffering van delen van het Lucasbolwerk aan de Stadsschouwburg, zal dit net als eerder bij het garageplan Lucasbolwerk groot verzet oproepen.
 

 
 
 
In het haalbaarheidsonderzoek, worden twee scenario’s uitgewerkt, te weten
  1. een groot, nieuw amusementstheater bouwen alsook de stadsschouwburg renoveren. Wat het renoveren van de stadsschouwburg betreft gaat het om de Grote Zaal te transformeren tot een middenzaal met 690 plaatsen en voor de Blauwe Zaal zijn er drie varianten: a) verbouwing binnen het huidige bouwvolume, b) verbouwing met dakverhoging en c) ondergrondse nieuwbouw onder het park Lucasbolwerk;
  2. een nieuw theatercomplex met drie zalen bouwen en de Stadsschouwburg te herbestemmen.
Primair wordt in het rapport opgemerkt: “Het zou het mooist zijn als de huidige Blauwe Zaal kan worden aangepast aan de eisen van de tijd, maar als dat vanuit monumentaal oogpunt niet mogelijk is behoort een zaal onder het plantsoen tot de mogelijkheden.” De subvarianten b en c zijn kennelijk al snel afgevallen.
 
Drie adviesbureaus met verschillende deskundigheden zijn tot één team gevormd, waarbij elk van de drie bureaus andere aspecten onderzocht, die tenslotte in het rapport zijn samengebracht.
 
De Raad voor Cultuur heeft Utrecht aangewezen als één van de acht gemeenten waarvan de cultuurinstellingen en –opleidingen deel uitmaken van de basisinfrastructuur van Nederland. Dit is terecht een relevant gegeven.
In de beleidsnota “Cultuurvisie 2005-2008 / Cultuur is kapitaal” en in de cultuurnota “de ontdekking van Utrecht” (2007) worden nogal grootse cultuurambities ontvouwd, die naar onze indruk op verschillende punten megalomane trekken hebben. Op dat laatste zullen we niet verder ingaan. Wel merken wij op dat de beide beleidsdocumenten geen onderbouwing met betrekking tot de vraagkant hebben, althans wat men bij normale standaards als onderbouwing zou mogen aanmerken. Leidend zijn bepaalde beleidswensen (verbonden met het kennelijke streven Utrecht tot een van de belangrijkste Europese cultuurcentra te maken) alsook niet onderzochte aannamen met betrekking tot de vraagkant.
Een draagvlakmeting onder de Utrechtse bevolking (waarbij ook de consequenties van keuzen realistisch zijn uiteengezet) heeft niet plaatsgevonden, dit in lijn met de betonnen gewoonte om weinig of geen acht te slaan op de wensen van de ingezetenen, waarover geregeerd wordt. Een dergelijk onderzoek zou toch zeer relevant zijn omdat de beoogde ontwikkeling een aanzienlijk beslag op de Utrechtse belasting- en begrotingsgelden legt, dus tot belangrijk andere keuzen leidt. Daarnaast heeft de beoogde ontwikkeling - direct en indirect - een belangrijke impact op het leefklimaat.
 
Het haalbaarheidsonderzoek neemt de ontwikkelingswensen uit de beide eerdere beleidsdocumenten als uitgangspunt, besteedt er enige woorden aan, maar onderzoekt deze wensen niet. “De markt biedt ruimte voor forse groei van het aantal bezoekers”, kopt een van de paragrafen (- welke markt hier bedoeld wordt, aanbod- of vraagmarkt, is niet meteen duidelijk –) om meteen door te gaan met de qua taal en denken tenenkrommende stelling “huidige achterstand en groei van de stad vormen basis voor groei”.
In het hele rapport wordt echter niet uitgelegd waarin de “huidige achterstand” bestaat en wat de maatstaf voor de achterstand is.
Geconstateerd wordt dat het aantal uitverkochte voorstellingen en de zaalbezetting van de Stadsschouwburg (in landelijke vergelijking) groot is. Verder wordt vastgesteld dat het aantal keren ‘nee’ verkopen bij uitverkochte voorstellingen niet gemeten is en kan worden. Wel wordt “aangenomen” dat er met een grotere zaalcapaciteit 20-25 % bezoek meer mogelijk is. Dit is een knap dunne fundering van de nog volgende uitspraak dat de vraagmarkt fors kan groeien.
Maar dan zijn de onderzoekers er nog niet. Doordat ten opzichte van 2005 het aantal Utrechters “de komende decennia” met een kwart zou groeien en voor de regio een minder spectaculaire groei plaatsvindt, zou de vraagmarkt nog eens een keer met 20-25 % groeien, per jaar (!!!), zoals de tekst zegt. En “bij voldoende aanbod”, zegt de ontsnappingsformulering.
Het rapport komt na stapeling van de twee aangegeven groeifactoren (grotere zaalcapaciteit en bevolkingsgroei) uit op 330 tot 345 duizend bezoekers in 2025, waaruit al snel blijkt dat de woorden groei “per jaar” een redactionele slordigheid is die door de drie adviesbureaus en de opdrachtgever niet werd gezien. Bij de aangegeven groei per jaar zou men in 2025 immers ver boven een miljoen bezoekers moeten zitten.
 
Met globale verwijzing naar ervaringen in Apeldoorn, Breda. Groningen, Rotterdam en Zwolle, wordt vervolgens gemeld dat het theaterbezoek aanmerkelijk toeneemt “dankzij de stijging van het aantal voorstellingen en ook dankzij meer grootschalig aanbod”. Hoe de causale relatie is vastgesteld wordt niet uitgelegd. We hebben dan met een onbewezen bewering van doen.
Hoe het in de gemelde plaatsen met het exploitatierendement zit, en wat er initieel en jaarlijks door de gemeenten is en wordt geïnvesteerd is ook niet aangegeven.
 
Vervolgens wordt - terecht – geconstateerd dat private ondernemingen de theatermarkt ontdekt hebben en dan ook in Utrecht en dat deze vanuit een niet nader omschreven “wijde regio” met de schouwburg zullen concurreren. Verder geeft het rapport aan dat het publiek bereid is verder te reizen voor unieke voorstellingen.
Het haalbaarheidsonderzoek beperkt zich aldus tot een vaag aanduiden van het concurrerend systeem en compenseert het gebrek dat daardoor ontstaat met de taalkundig en inhoudelijk wonderlijke zinnen: “De eerder geraamde stijging van 230.000 bezoeken per jaar nu, naar 380.000 over tien jaar (zo’n 65 %) zijn niet onrealistisch . Zeker niet gelet op de recente realisaties over 2007. De huidige achterstand en de autonome groei van de stad staan samen al garant voor het overgrote deel van de stijging (40% tot 50%). Daarnaast laten andere steden zien dat groei van het aanbod leidt tot groei van het bezoek. Deze marktpotentie geldt echter ook voor andere grootschalige podiumkunstaanbieders in de stad en de wijde regio. Positionering en onderlinge afstemming is dan ook vereist, maar niet altijd mogelijk.”
Nog steeds is ons niet uitgelegd waar de “huidige achterstand” in zou bestaan en wat het referentiemateriaal is om het predikaat achterstand te kunnen gebruiken.
Niet uitgelegd wordt waarom de eerder op de sigarendoos berekende 330 tot 345 duizend bezoekers nu plotseling tot 380.000 zijn gegroeid (9 tot 13 % verschil) en dat binnen tien jaar al, terwijl het eerdere lagere getal voor het jaar 2025 gold.
 
Dan gaat het rapport over tot de behandeling van twee scenario’s, locatie-afwegingen, investeringskosten en exploitatieverwachtingen en een opgave van geraadpleegde literatuur (erg dunnetjes) en geraadpleegde personen, die zonder uitzondering tot het systeem van de opdrachtgever behoren.
Met andere woorden dat wat de onderzoekers en B&W betreft is het voorafgaande voldoende grondslag voor het vervolg. Dat vervolg is een ‘technische’ uitwerking van de ons inziens uiterst gebrekkige grondslag.
 
Het stuk is deels gebaseerd op een aangenomen bevolkingsgroei van Utrecht zonder enige bronvermelding. Uit niets blijkt dat er demografische verkenningen zijn geraadpleegd.
In hoeverre de demografische ontwikkeling voor de verschillende sociale lagen en etnische groepen verschillend zal uitpakken is thans nog onvoldoende bekend. Dit is echter wel van belang daar het bezoek aan instellingen voor podiumkunsten zoals algemeen bekend hoog correleert met welstands-, culturele- en opleidingsniveau.
Het is inmiddels bekend dat in grote delen van het land de bevolking in de komende decennia zal teruglopen. In hoeverre dat een impact heeft op het theaterbezoek in Utrecht zou onderzocht mogen worden.
Een daling van de Nederlandse bevolkingsomvang heeft repercussies voor de emplooibaarheid van podiumkunstenaars. Daar podiumkunstenaars inkomen moeten verwerven zal hun teruglopende emplooibaarheid als kunstenaar vrijwel zeker ook tot daling van het aanbod leiden. De aangenomen groei van het bezoek aan de gemeentelijke theaters is mede gebaseerd op de verwachtingen (blz. 13 hoofdrapport)
  • dat de nieuwe inwoners in dezelfde verhoudingen gebruik maken van het podiumkunstenaanbod en
  • van voldoende voorstellingen-aanbod.
Beide punten zijn niet onderzocht.
Indien dit simpelweg extrapoleren van de vraag ook in het verleden toegepast zou zijn, zou Utrecht nu verhoudingsgewijs (en misschien ook wel absoluut) de meeste zwembaden, speeltuinen en muziekscholen van Nederland moeten hebben. Op zich zou dat toe te juichen zijn, omdat die voorzieningen vooral de inwoners ten dienste staan, terwijl dat met schouwburgen en andere podia beduidend minder het geval is.
 
Het onderzoek beseft het bestaan van concurrerend aanbod wel, maar dat is niet geïnventariseerd en geanalyseerd.
In dit verband moet men onder meer denken aan de theateruitbouw die een van de bedrijven van Joop van den Ende gepland heeft aan de Jaarbeurszijde van het stationsgebied. (Van den Endes plaats zal wel door een ander worden ingenomen nu vaststaat dat Van den Ende zich terugtrekt.)
Maar daarnaast moet ook gerekend worden met de theaterontwikkelingen in de regio, ja zelfs met die in de gehele Randstad (die een bevolkingskrimp voor de boeg heeft).
 
In de bijlage bij hoofdstuk VI scenario I variant 2 (het uitbreiden van de Schouwburg onder het park) worden de grondkosten op nul euro becijferd. Deze vermelding zou betekenen dat het park voor de gemeente geen waarde heeft en voor nul euro naar de schouwburg zou kunnen gaan. Naar onze indruk is dit niet in overeenstemming het Besluit van 17 januari 2003, houdende de voorschriften voor de begrotings- en verantwoordingsdocumenten, uitvoeringsinformatie en informatie voor derden van provincies en gemeenten (Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten). Wel sluit de nul-euro-waarde aan bij de manier waarop velen in de achterliggende jaren het gemeentelijk beleid met betrekking het park beleefd hebben.
Verder:
  • er wordt geen kapitaalrente gerekend, 
  • worden de ontwikkelkosten op nul euro gesteld, terwijl aangegeven is dat er kosten zijn (interne kosten van de opdrachtgever), die natuurlijk aan het project toegerekend moeten worden,
  • zijn er geen kosten voor bouwrijp maken geraamd, 
  • zijn er geen infrastructuurkosten opgenomen, 
  • zijn geen kosten voor opmeten en sonderen opgenomen,
  • zijn geen kosten voor ruimtelijke ordeningswijzigingen opgenomen,
  • zijn geen kosten voor ontsluitingen opgenomen,
  • zijn de reële rentekosten PM opgevoerd,
  • er is – gelet op de verantwoording - niet gekeken naar het ontwerp van de garage Lucasbolwerk, ten behoeve waarvan allerlei reële problemen en kostenfactoren waren geïnventariseerd (en waarbij er vele verdonkeremaand zijn, zoals wij enige jaren geleden hebben aangetoond).

De kostenraming raakt kant noch wal.  

 
We stellen vast dat dit haalbaarheidsonderzoek niet tot een conclusie komt. In zeker opzicht is dat correct omdat de aan het onderzoek voorafgaande beleidsstukken, de uitgangspunten en de wijze waarop aanbod en vraag onderzocht zijn geen enkel niveau hebben. Ook zijn er wat betreft de kostenraming van een ondergrondse uitbreiding van de Stadsschouwburg veel flinke posten buiten beschouwing gelaten. Daarmee is niet gezegd dat de overige ramingen wel kloppen, deze hebben we immers niet bekeken.
Op grond van het haalbaarheidsonderzoek en de voorafgaande beleidsdocumenten zou vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid en zuinigheid (geldmiddelen, behoud park Lucasbolwerk) geen stap gezet mogen worden.
Wel dromen en plannen, geen visie en onvoorstelbaar gebrekkige beleidsdocumenten.
 

  
Vereniging Comité Behoud Lucasbolwerk
juni 2008